Interview met Dick Willems, huisarts (np) hoogleraar medische ethiek

Wanneer was je student te Groningen?

Van 1973 tot 1979. Ik was eerst uitgeloot in 1972 en ben toe pedagogiek gaan studeren. Dit was wel een belangrijke stap voor de rest van mijn loopbaan. Bij pedagogiek kwam ik in contact het filosofie-onderwijs. Ik herinner me nog vele colleges filosofie, waarin je geconfronteerd werd met vele bijzondere vragen. Bijvoorbeeld de vraag hoe we zeker weten dat de dingen blijven zoals zij zijn  als wij weg zijn. Maar ook vragen over causaliteit en over zekerheid.  In 1973 werd ik ingeloot voor geneeskunde en na mijn 3e jaar ben ik daarnaast ook weer filosofie gaan studeren.

Waar woonde je in Groningen?

Ik ben begonnen op kamers aan het Borneoplein en daarna ben ik naar de Oosterpoort gegaan. Eerst in een oude winkel van een staaldraaierij – achter een enorme etalage – en later elders in die wijk.

Wat was je meest dierbare plek in de stad?

Ik denk de Hendrikstraat, waar ik even later met Pauline – mijn vrouw – ben gaan wonen. 

Het is een straat tussen 2 straten in de Oosterpoort. Ik ga er nog wel eens langs.

Heb je ook bepaalde herinneringen aan bepaalde kroegen?

Ja, de Gouden Zweep. Daar biljartten we altijd en dronken we bier. Meestal deden we dat nadat we de hele middag hadden staan stencilen met de Basisgroep in een keet achter Bloemsingel 1. Die stencils  bestonden toen nog uit hard papier waar je flink op moest typen om de letters er door heen te slaan en dan moest je vaak corrigeren met een soort roze lak. Het was altijd heel smoezelig. In de Kroeg van Klaas kwam ik ook wel en in het weekend gingen we wel vaak naar de kroeg van Adje achter het museum van toen. Het was ook een plek waar geestverruimende middelen werden uitgeprobeerd.

Was je ook lid van een studentenvereniging?

Ik was lid van VERA; ik was een veraan. Daar zat ik in een dispuut.

Welke herinneringen heb je aan de opleiding?

Ik herinner me professor Keuning, histoloog, die heel goed college gaf. En neuroloog prof Oosterhuis, die ook filosofische belangstelling had. En professor Kuijjer, chirurg, bij wie ik eens examen moest doen. Ik kwam bij hem; hij zat achter zijn bureau waarop een stapel mitella’s lag. En hij stelde mij de vraag of ik bij hem een mitella zou willen omdoen. Dat deed ik en kennelijk was hij daarover tevreden, want ik ben geslaagd. Ik vond hem ook interessant vanwege zijn historische belangstelling.

Had je ook een bepaalde voorbeeld-docent?

Ja. Mijn coschap kindergeneeskunde heb ik in het Wilheminaziekenhuis in Assen gelopen en daar werkte een kinderarts, die fantastisch met kinderen en de ouders omging. Dokter Nelck. Deze docent heeft wel de meeste indruk op mij gemaakt. Hij was erg betrokken bij de kinderen.

Zijn er verhalen uit je studententijd, die je nog steeds aan anderen vertelt?   

Als lid van de faculteitsraad zat ik in een commissie, die voor het eerst een hoogleraar meidsche ethiek zou aanstellen. Deze hoogleraar zou door de KNMG betaald worden, maar hij/zij zou ook benoemd worden bij de faculteit filosofie. In die commissie zaten ook 2 hoogleraren filosofie – Lolle Nauta en Ger Harmsen – en zij waren niet van plan om de door de KNMG voorgestelde persoon te accepteren, omdat het dan te veel KNMG-ethiek en dus te smal zou gaan worden voor een benoeming bij filosofie. Ethiek voor dokters door dokters. Nauta en Harmsen wilden dit niet. Ik was het met hen eens, maar het duurde nog decennia voordat er een hoogleraar medisch ethiek aangesteld werd.

Waar gaan je herinneringen aan je studententijd het meest naar uit?

De faculteit, het onderwijs. Ik was weliswaar niet zo fanatiek in de GSB ( Groninger Studenten Bond).

Wat betekent voor jou “Mijn Universiteit “ ?

Het academiegebouw aan de Broerstraat.

Je bent huisarts geworden. Hoe is dat gekomen?

Ik wist het al vroeg. Vanwege de sociale kant van het vak. Gezins- en levensgeschiedenis vond ik ook heel boeiend. Voordat ik met de huisartsopleiding begon in Lewenborg heb ik nog een jaar filosofie van de geneeskunde gestudeerd in Parijs. Vervolgens ben ik halverwege de jaren 80 met Marjolijn Hugenholz als huisarts gestart in Huizen, in een zandvlakte met 0 patienten. Eerst als waarnemer vanuit een gezondheidscentrum in de buurt. Dat was wel moeilijk. Na een jaar had ik ongeveer 100 patienten. Bovendien was er ook nog een “wilde” vestiging aldaar van een huisarts uit de buurt. Ik ben 15 jaar huisarts geweest. Ik had inmiddels ook een baan bij de Vrije Universiteit, bij Gerrit van der Wal, alwaar ik onderzoek deed naar regelgeving rond  euthanasie. In 1995 ben ik gepromoveerd bij Gerard de Vries, hoogleraar wetenschapsfilofie. De hoogleraar huisartsgeneeskunde Bert Schadé was de 2e promotor en via hem ben ik aangesteld  als medisch ethicus. Nu ben ik nog een paar maanden afdelingshoofd medisch ethiek aan het UMC Amsterdam.

Wat vind je – vanuit je vak – in deze tijd belangrijk voor de opleiding?

Ik denk dat het gebruik van informatie-technologie en artificiële intelligentie van groot belang is in de zorg, in die zin, dat beide meer invloed zullen hebben en krijgen op hoe dokters met patienten omgaan en op hoe artsen met elkaar omgaan. En dus zal ook de ethiek daaromtrent van groter belang worden. Dan denk ik bijvoorbeeld aan: Hoe ga je met gegevens van mensen om ? Wat kan daarmee allemaal worden “uitgespookt” ? Maar ook: Hoe ga je om met mensen, die al veel hebben uitgezocht voordat zij bij jou als arts komen?

Dat stelt eisen aan artsen, veel meer dan vroeger. Basaal hierbij is dat minder dingen als vanzelfsprekend worden beschouwd. Er zijn minder vanzelfsprekendheden in de geneeskunde, zowel wat betreft kennis als in de relatie tussen arts en patient.

Heb je nog tips in dezen?

In de toekomst zal reflectie op de dingen, die we nu als vanzelfsprekend beschouwen belangrijker worden zowel in filosofische als ethische zin. In deze tijd van corona hebben we ons als artsen toch ook serieus bezig moeten houden met de vraag:  Wat moeten we als in de zorg in korte tijd onvoldoende capaciteit ontstaat om bijvoorbeeld patienten op te nemen op de IC’s. De mogelijkheden lijken nu te kort te schieten. Vroeger stond deze vraag in een rijk land als Nederland ver van ons af. Dit soort vraagstukken zullen we in de toekomst meer met elkaar moeten delen en bespreken.   


Dick_Willems.png