Antonius Deusinglaan

'De 22 koortssymptomen die hij in zijn laatste hoofdstukken (van zijn verhandeling over de koorts) opsomt wekken de indruk ook echt door hem geconstateerd te zijn, en de daar gegeven recepten zijn van minder abstract galeens karakter. (...) Het latijn verbergt daar de vaderlandse kruidentuin, aangevuld met een hoopje ketelsteen (in een antidiarree-compres) en een lepeltje brandewijn met suiker (tegen benauwdheid).' (B. Ebels-Hoving) (Antonius Deusing 1612 – 1666)

Halverwege de jaren veertig van de zeventiende eeuw was de medische faculteit in Groningen een noodlijdend instituut. Vanaf 1643 lag het onderwijs wegens een gebrek aan hoogleraren zelfs volledig stil. Nieuwe krachten konden niet worden benoemd als gevolg van de voortdurende obstructies waarmee de Ommelanden zich verzetten tegen de machtspolitiek van de Stad. Pas in 1647 werd overeenstemming bereikt over de benoeming van twee hoogleraren: Antonius Deusing en Christiaan Perizonius. Over de laatste is weinig bekend, hij overleed al in 1650. Deusing zou meer indruk maken. Met hem haalde Groningen iemand van standing binnen. Een geleerde met een grote, zij het niet geheel onomstreden reputatie, die faculteit en Stad bijna twintig jaar trouw zou dienen.

Antonius Deusing werd op 15 oktober 1612 geboren in Meurs, een Duits graafschap dat begin zeventiende eeuw in handen van de Oranje-Nassau ‘s was gekomen. Zoals zoveel van zijn academisch geschoolde tijdgenoten was hij een veelzijdig man. Maar Deusing bereikte een zelfs voor die tijd uitzonderlijk niveau. In Leiden studeerde hij niet alleen filosofie en wiskunde, maar ook Turks, Arabisch en Perzisch. Hij schijnt deze talen bijzonder goed beheerst te hebben en publiceerde onder meer een Perzisch-Latijns en een Turks-Latijns woordenboek. Door het lezen van Arabische medische teksten, vaak vertalingen of bewerkingen van klassieke Griekse en Romeinse teksten, raakte hij geïnteresseerd in de geneeskunde zodat hij zich uiteindelijk ook op dat vlak ging bekwamen. Na zijn promotie in 1637, keerde Deusing terug naar zijn geboortestreek waar hij een eigen praktijk opende en een aanstelling aanvaardde als docent wiskunde aan het plaatselijke gymnasium. In 1642 volgde zijn benoeming tot hoogleraar in de wiskunde, filosofie en geneeskunde (en waarschijnlijk ook de astronomie) aan de hogeschool van Harderwijk. Hij was amper 30 jaar oud. 

Rechtzinnig in de leer? 
In Harderwijk verwierf Deusing zich de reputatie een uiterst geleerd man te zijn. Hij kwam er echter ook in conflict met een hoogleraar theologie die aan zijn rechtzinnige - lees Gereformeerde - geloofsopvattingen twijfelde. Dit lijkt merkwaardig want Deusing leunde in de uitoefening van zijn vak juist zwaar op zijn geloof. God was voor hem de eerste oorzaak van gezondheid en ziekte. God werkte door de (academische geschoolde) doctor medicinae mits deze een vroom christen was. Met een dergelijke steun in de rug kon de doctor medicinae niet falen, want als een patiënt overleed dan was dat te wijten aan de voorzienigheid Gods.
Recht in de leer of niet, Deusings aanzien leed er niet onder. Hij was nog niet vertrokken naar Groningen of Harderwijk probeerde hem terug te halen. Waarop de Groningse curatoren prompt met een salarisverhoging op de proppen kwamen en hem tot medicus provincialis benoemden. Deusing bleef. In Groningen ging het Deusing voor de wind. Hij verwierf er de ene na de andere hoge functie op academisch, maatschappelijk en medisch gebied. Tweemaal was hij rector magnificus, een derde benoeming kon in verband met zijn overlijden niet plaatsvinden. Vanaf 1649 was hij ouderling in de Gereformeerde gemeente, vanaf 1652 lijfarts van de Friese stadhouder Willem Frederik.

Meer dan potjeslatijn
De goede reputatie die Deusing tijdens zijn leven opbouwde zou na zijn dood niet standhouden. Nijhoff, schrijvend in 1914 noemt Deusing: ‘Geleerd maar geen groot docent. In de 18 jaar dat hij hoogleraar was promoveerde slechts 21 studenten’. Recent onderzoek heeft echter uitgewezen dat Deusing alle aspecten van zijn vak serieus genomen heeft. Hij was meer dan een boekengeleerde en maakte zijn uitspraak waar dat een medicus voor de pest niet mag wegvluchten. Toen de gevreesde ziekte in 1666 Noord-Nederland bereikte bleef Deusing in Groningen en stierf ook, hoewel niet aan de pest. Maar daarmee is niet alles gezegd. Deusing schreef in zijn Groningse jaren een groot aantal medische traktaten, waarvan er vele bewaard zijn gebleven. Een van zijn verhandelingen, over het onderwerp koorts, is nauwkeurig geanalyseerd door dr. B Ebels-Hoving. Ze concludeerde dat het werk niet alleen gezien moet worden als een bewijs van geleerdheid, zoals veel andere wetenschappelijke teksten uit die tijd. Hoe traditioneel Deusing ook te werk ging, een deel van de inhoud was wel degelijk gebaseerd op eigen waarnemingen. Een slaafs volger van zijn klassieke voorbeelden was Deusing zeker niet. Bovendien zijn een aantal van de aanbevolen recepten meer dan potjeslatijn, schrijft Ebels. Achter voorname Latijnse benamingen gaat volgens haar vaak de vaderlandse kruidentuin schuil. Met andere woorden, Deusing schreef niet alleen voor geleerde collegae en studenten, maar ook voor zijn patiënten die de ingrediënten voor zijn recepten in eigen tuin hadden staan of ze bij een apotheker konden kopen.  

Zijn ultrabehoudende naam dankt Deusing waarschijnlijk vooral aan de Leidse geleerde Sylvius met wie hij ernstig botste. Sylvius heeft zijn Groningse collegae op allerlei manieren belachelijk gemaakt, met succes, al ontstond de grootste schade na 1666. Tijdens zijn leven stond Deusing goed bekend, zelfs in Leiden waar hij op 31 januari 1666 werd benoemd tot hoogleraar. Voor Deusing kwam dit goede nieuws te laat. Hij was twee dagen eerder overleden. In Groningen wordt hij niet alleen met een straat herdacht. De medische alumnivereniging (vereniging van afgestudeerde artsen aan de RUG) is naar hem vernoemd.​​​​​​​

AD1.jpg
Antonius Deusing
AD3.jpg
Het bodenterrein tussen de Bloemsingel en de Wouter van Doeverenplein, rechts de Antonius Deusinglaan, 1948