Stichter van het AZG, Evert Jan Thomassen à Thuessink (1762 - 1832)


Stichter van het AZG

'Daar er zich thans eene gelegenheid aanbied, om met geringe kosten voor den Lande een klein en geschikt ziekenhuis voor deeze Universiteit te bekoomen, neeme ik de vrijheid dit ter Uwer kennis te brengen met eerbiedig verzoek, dat het Ulieden behagen moge het plan daarvan, welke ik hier bij overlegge, gunstig aan de Representatenten van dit gewest voor te dragen, ten einde wij in staat gesteld worden, niet alleen kundige maar ook geoeffende geneeskundigen den Staat te bezorgen.’

Evert Jan Thomassen à Thuessink is de geschiedenis ingegaan als de stichter van het academisch ziekenhuis in Groningen. Hij werd geboren op 6 augustus 1762 in Zwolle waar zijn vader burgemeester was. Net als zoveel van zijn ambtgenoten stamde Thuessink uit een aanzienlijke familie. Hij was zeer vermogend en – volgens Huizinga- een ‘aristocraat, man van de wereld en van fijne vormen, liefhebber van kunsten en wetenschappen, verzamelaar en schenker’. Ook was hij hoogst intelligent. Thuessink studeerde geneeskunde, filosofie en rechten in Harderwijk en Leiden en had al op twintigjarige leeftijd een aanbod op zak om in Frankeker hoogleraar in de filosofie te worden. Thuessink koos echter voor de geneeskunde. Hij studeerde af in Leiden en keek vervolgens eeb tijdje rond in ziekenhuizen in Parijs, Londen en Edinburgh, waar hij zich op de hoogte stelde van de nieuwste ideeën en technieken. Na zijn promotie tot medicinae doctor opende hij een privépraktijk in zijn geboortestad, later verhuisde hij naar Den Haag. In 1793 werd hij benoemd tot hoogleraar praktische geneeskunde in Groningen.

(G)een ziekenhuis
Anders dan zijn leeropdracht suggereert moest Thuessink zich in Groningen aanvankelijk beperken tot theoretisch onderwijs, want de medische faculteit beschikte niet over een ziekenhuis. Patiënten voor onderwijs aan het bed waren niet beschikbaar. Het Franse leger dat na 1795 in Nederland gelegerd was bood echter uitkomst. In 1795 kreeg Thuessink de leiding over het militaire hospitaal dat eerst in het Groene Weeshuis was gevestigd, later in het Prinsenhof. Nu waren er wel patiënten en al snel werden de meest interessante gevallen gebruikt voor klinische lessen aan het ziekbed. Toch was Thuessink niet tevreden. Hij vond het militaire hospitaal, waar het kennelijk ruig aan toe ging, minder geschikt om zijn studenten, ‘de jonge lieden die zagte, naaukeurige en meer beschaafde behandeling te leren, waaraan zij zich, in een meer beschaafde kring werkzaam zullende zijn, van stonden aan moeten gewennen’. Nog geen drie jaar na zijn benoeming klopte hij daarom bij het stadsbestuur aan met et plan voor een ziekenhuisje waar zorg voor arme patiënten gecombineerd zou worden met praktisch onderwijs. Het was niet voor het eerst dat in Groningen een dergelijk plan het licht zag. Eyssonius ging Thuessink ruim een eeuw voor, terwijl Van Doeveren in 1770 had gepleit voor een speciaal ziekenhuisje voor zieke armen. Die zouden daar door ‘bekwame opzieners, geneesheren en heelmeesters’ behandeld, gekoesterd, bestuurd en in toom gehouden moeten worden. Maar waar zijn voorgangers geen poot aan de grond kregen, was Thuessink onmiddellijk succesvol. Het stadsbestuur ging binnen een maand akkoord en nog eens drie maanden later was het Nosocomium een feit. In een vertrek van het voormalige Groene Weeshuis aan de Hofstraat behandelde de stichter van het ziekenhuis op 11 november 1797 zijn eerste patiënten. Of er studenten bij aanwezig waren is onbekend, maar hoogstwaarschijnlijk is het niet. Onderwijs was het hoofddoel van het Nosocomium Academicum, niet de zorg voor arme zieken. Niets voor niets stelde het ziekenhuis regelement dat studenten ‘te allen tijde het regt hebben de zieken te visiteren’, maar ook dat ze zich bij visite (van de professor) ‘stil en behoorlijk’ gedragen moesten.

Verlichtingsidealen
Thuessink plan werd geaccepteerd omdat de tijd er rijp voor was. Tegen het einde van de achttiende eeuw groeide onder invloed van de Verlichting het idee dat niet alles onvermijdelijk was of Goddelijke voorzienigheid, dat men zich niet neer hoefde te leggen bij ziekte of armoede, dat de mensheid als geheel op weg was naar een betere toekomst en dat zelfs armen dankzij zorg, koestering en een goed bestuur (zie van Doeveren) konden uitgroeien tot nuttige en beschaafde burgers, armen en zieken incluis, te bevorderen en hen te beschermen tegen rampen zoals epidemieën (of niet-beschaafde armen, het grauw dat volgens Van Doeveren immers niet alleen gekoesterd moest worden, maar ook in toom gehouden).De verlichtingsidealen leefden vooral onder de gegoede burgerij die – het is geen toeval- na de komst van de Fransen in 1795 in Nederland de touwtjes in handen had gekregen. Het Groningse stadsbestuur zag daarom wel wat in de plannen. Maar het mocht natuurlijk niet te veel geld kosten. Het oorspronkelijke Nosocomium telde twee zaaltjes met elk vier bedden. Pas na de verhuizing naar een ruimer pand aan de Munnekeholm in 1803 kon Thuessink gaan bouwen aan een completer ziekenhuis. Er kon nu ook extra personeel worden aangenomen: een ziekenmoeder en een ziekenvader voor de verpleging van de zieken, plus een chirurgijn. Dit was Thuessinks leerling Petrus Hendriksz die aanvankelijk zonder salaris werkte. In 1807 werd er bovendien een nieuwe hoogleraar in de heel- en verloskunde benoemd, Johannes Mulder.

Onderwijs voorop  

Thuessink en de zijnen zetten zich mateloos in voor hun ziekenhuis dat langzaam maar zeker een goede naam begon te krijgen. Er kwamen een apotheek, een keuken, een bibliotheek plus koperen bad ‘uitwendig met hout bekleed en van een kachel voorzien’, en er werd extra personeel aangenomen. Mulder kwam bovendien met een plan om het ziekenhuis uit te breiden met een ziekenzaal voor chirurgie en een voor verloskunde en een operatiekamer. Deze verbouwing startte in 1816, zes jaar na Mulders dood. Zo kon het Nosocomium uitgroeien van een bedelingsinstelling tot een redelijk respectabel instituut, waar zelfs mensen uit de betere kringen zich lieten behandelen. De financiën bleven echter altijd een groot probleem, dus waren de mogelijkheden beperkt. De tegenstelling tussen wat gedaan moest worden en wat gedaan kon worden, moet voor de betrokken hoogleraren uiterst frustrerend geweest zijn. Dit blijkt in ieder geval uit de vele brieven aan het stadsbestuur en andere potentiële geldverstrekkers. Een ‘echt’ ziekenhuis, vergelijkbaar met het huidige AZG, was het Nosocomium niet. Voor Thuessink bleef het onderwijs voorop staan. Hij wilde alleen patiënten met onderwijskundige nut toelaten, voor hopeloze gevallen bleven de ziekenhuisdeuren over het algemeen gesloten. Dit leidde tot een conflict met het stadsbestuur dat, gesteund door de latere hoogleraar Jacob Baart de la Faille, in 1820 een bredere toegankelijk algemeen Stads Armenziekenhuis opende aan de Schuitemakersstraat. Hierdoor verergerden de financiële problemen van het Nosocomium, want het stadsbestuur stak liever geld in het ‘eigen ziekenhuis’. In 1852 zouden beide ziekenhuizen samengaan in het Algemeen Provinciaal, Stads- en Academisch Ziekenhuis, het APSAZ.

Thomassen à Thuessink was toen al twintig jaar dood. Hij trad in1825 terug als directeur van het ziekenhuis en in 1830 als hoogleraar. Twee jaar later, op 3 juni 1832, overleed hij in zijn woning aan de Zuiderhaven 25.

Als hoogleraar publiceerde Thuessink een aantal artikelen en boeken waarin hij ziektegeschiedenis beschreef die hij in het Nosocomium tegenkwam. Hij komt daarin naar voren als een traditioneel geneesheer. Wel was hij een warm voorstander van inenting tegen pokken en had hij oog voor het gebrek aan openbare hygiëne en goed drinkwater in de stad. Daarmee was hij in de eerste helft van de negentiende eeuw een uitzondering. Thuessink zag het verband tussen het gebrek aan hygiëne en het ontstaan van epidemieën, zoals de verwoestende cholera-epidemie in 1826). In de nasleep daarvan pleitte hij tevergeefs voor een structurele verbetering van de drinkwatervoorziening en de waterafvoer in Groningen. Het gezonde Groningen van Van Doeveren was verdwenen als gevolg van de industrialisatie en de hierdoor groeiende bevolking. Het zou lang duren voordat deze ideeën van Thuessink serieus werden genomen.        

Bronvermelding: Historie van Academisch Ziekenhuis en Medische Faculteit te Groningen in de professoren buurt. Gerard Terwisscha van Scheltinga


Thuessink.jpg
Thuessink.jpg
Groene Weeshuis, circa 1810, het eerste academisch ziekenhuis aan de Hofstraat in Groningen